• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het ontstaan van het dogma van de Drieëenheid
De geopenbaarde waarheid van de heilige Drieëenheid heeft vanaf het allereerste begin ten grondslag gelegen aan het levende geloof van de Kerk, vooral door het doopsel. Zij komt tot uitdrukking in de geloofsregel van het doopsel, zoals deze geformuleerd wordt in de prediking, de catechese en het gebed van de Kerk. Dergelijke formuleringen vindt men al in de apostolische geschriften, zoals de in de liturgie van de eucharistie weer opgenomen begroeting laat zien: "De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met u allen" (2 Kor. 13, 13). Vgl. 1 Kor. 12, 4-6 Vgl. Ef. 4, 4-6
In de loop van de eerste eeuwen heeft de Kerk getracht haar geloofsverstaan in de Drieëenheid uitdrukkelijker te formuleren, niet alleen om haar eigen geloof te verdiepen, maar ook om het geloof te verdedigen tegen dwalingen die het misvormden. Dit was het werk van de oude concilies, hierin geholpen door de theologische werkzaamheid van de Kerkvaders en ondersteund door de geloofszin van het christenvolk.
Om het dogma van de Drieëenheid te formuleren heeft de Kerk een eigen terminologie moeten ontwikkelen met behulp van begrippen uit de filosofie: "substantie", "persoon" of "hypostase", "relatie" enz. Hierbij heeft zij het geloof niet onderworpen aan menselijke wijsheid, maar heeft zij een nieuwe, ongekende betekenis aan deze termen gegeven, die bestemd zijn om voortaan ook een onuitsprekelijk mysterie te verwoorden, "dat alles wat wij naar menselijke maatstaf kunnen begrijpen, in oneindige mate overtreft". Z. Paus Paulus VI, Motu Proprio, Sollemnis Professio Fidei - Ter afsluiting van het jaar van het geloof, Credo van het Volk van God (30 juni 1968), 2. vert. uit Lat.
De Kerk gebruikt de term "substantie" (soms ook weergegeven met "essentie" of "natuur") om het goddelijk wezen aan te duiden in zijn eenheid, de term "persoon" of "hypostase" om de werkelijke verscheidenheid tussen de Vader, de Zoon en de heilige Geest onderling aan te duiden, de term "relatie" , om het feit aan te duiden dat hun verscheidenheid gelegen is in de betrokkenheid van de één op de beide anderen.
Het dogma van de heilige Drieëenheid
De Drieëenheid is één. Wij belijden geen drie goden, maar één God in drie personen: "de Drieëenheid die één in wezen is". 2e Concilie van Constantinopel, 8e Zitting - Canones, Sessio VIII - Canones (2 juni 553). DS 421, vert. uit Gr. De goddelijke personen verdelen het ene goddelijke wezen niet onder elkaar, maar elk van hen is geheel God: "De Vader is hetzelfde wat de Zoon is, de Zoon hetzelfde wat de Vader is, de Vader en de Zoon zijn hetzelfde wat de heilige Geest is, d.w.z. één God van nature". 11e Synode van Toledo, Geloofsbelijdenis, Credo (7 nov 675), 25. DS 530, vert. uit Lat. "Elk van de drie personen is deze werkelijkheid, d.w.z. goddelijke substantie, essentie of natuur". 4e Concilie van Lateranen, Hfd 2. Over de dwalingen van abt Joachim de Fiore, Caput 2. De errore Abbatis Ioachim (11 nov 1215), 2. vert. uit Lat.
De goddelijke personen zijn onderling werkelijk verschillend. "God is een, maar niet op de wijze van een eenling". Fides Damasi: DS 71 "Vader" , "Zoon", "heilige Geest" zijn niet eenvoudigweg namen die modaliteiten van het goddelijke zijn aangeven, want zij zijn onderling werkelijk verschillend: "Wie de Zoon is, is de Vader niet, noch is wie de Vader is, de Zoon, noch is de heilige Geest wie de Vader of de Zoon is". 11e Synode van Toledo, Geloofsbelijdenis, Credo (7 nov 675), 25. vert. uit Lat. Zij verschillen onderling door hun oorsprongsrelatie: "Het is de Vader die voortbrengt, de Zoon die voortgebracht wordt, en de heilige Geest die voortkomt". 4e Concilie van Lateranen, Hfd 2. Over de dwalingen van abt Joachim de Fiore, Caput 2. De errore Abbatis Ioachim (11 nov 1215), 2. vert. uit Lat. De goddelijke eenheid is drieënig.

De goddelijke personen hebben betrekking op elkaar. Omdat het werkelijke verschil tussen de personen onderling de goddelijke eenheid niet verdeelt, is dit verschil alleen maar gelegen in de betrekkingen waarin zij op elkaar betrokken zijn. "In de betreffende namen voor de personen verwijst de Vader naar de Zoon, de Zoon naar de Vader en de Heilige Geest naar beiden; ook al spreekt men met het oog op hun onderlinge relatie over drie personen, dan gelooft men echter toch in één natuur of substantie". 11e Synode van Toledo, Geloofsbelijdenis, Credo (7 nov 675), 15. vert. uit Lat. Immers, "alles is één, daar waar geen tegenstelling van de relatie zich daartegen verzet". Concilie van Florence, Bul, 11e Sessie - Over de eenheid met de Kopten en Ethiopiërs, Cantate Domino (4 feb 1442). vert. uit Lat. "Op grond van deze eenheid is de Vader geheel in de Zoon en geheel in de Heilige Geest; de Zoon is geheel in de Vader en geheel in de Heilige Geest; de Heilige Geest is geheel in de Vader en geheel in de Zoon". Concilie van Florence, Bul, 11e Sessie - Over de eenheid met de Kopten en Ethiopiërs, Cantate Domino (4 feb 1442), 2. vert. uit Lat.

De heilige Gregorius van Nazianze, ook wel de "theoloog" genoemd, geeft de catechumenen van Constantinopel de volgende samenvatting van het geloof in de Drie-eenheid:

Behoudt bij dit alles en vóór alles de kostbare geloofsschat, waarvoor ik leef en strijd, en die ik op mijn laatste tocht als reisgenoot zou willen meenemen, die mij alle smarten doet verdragen en alle genot doet geringschatten: ik bedoel hiermee het belijden van het geloof in de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Deze belijdenis vertrouw ik vandaag aan u toe; hiermee zal ik u zowel in het water onderdompelen als u er weer uit omhoog heffen. Haar geef ik mee als gezellin en beschermster voor heel uw leven: de éne godheid en macht die één is in drie personen en tegelijk drie personen bevat, één zonder ongelijkheid van substantie of natuur, zonder hogere graad die verheft, of lagere graad die verlaagt (...). Het is de oneindige natuurgemeenschap van de drie oneindigen. Ieder is, op zich beschouwd, geheel God (...). God zijn zij alle drie, als zij tezamen gedacht worden (...). Nauwelijks komt bij mij de gedachte aan hun één-zijn op of ik word omstraald door de drie goddelijke personen; nauwelijks heb ik een onderscheid in drie goddelijke personen gemaakt, of ik word in gedachten weer teruggebracht tot hun één-zijn. H. Gregorius van Nazianze, Orationes theologicae. 40,41, vert. uit Gr.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 19 juni 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2017, Stg. InterKerk, Schiedam