• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
"Christengelovigen zijn zij die, door het Doopsel in Christus ingelijfd, tot volk van God zijn gemaakt, en aldus het priesterlijke, profetische en koninklijke ambt van Christus op hun wijze deelachtig, ieder volgens zijn eigen plaats, geroepen worden de zending uit te voeren die God aan de kerk ter vervulling in de wereld toevertrouwd heeft". Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 204. § 1 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 31
"Tussen alle christengelovigen, en wel krachtens hun wedergeboorte in Christus, bestaat een ware gelijkheid in waardigheid en handelen, waardoor allen, ieder overeenkomstig de eigen plaats en taak, aan de opbouw van het lichaam van Christus meewerken". Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 208 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 32
De verschillen zelf die de Heer heeft willen aanbrengen tussen de ledematen van zijn lichaam, dienen de eenheid en de zending ervan. Want "er is in de van zijn Kerk verscheidenheid van bediening, maar eenheid van zending. Aan de apostelen en hun opvolgers is door Christus de opdracht toevertrouwd om in zijn naam en door zijn macht te onderwijzen, te heiligen en te besturen. De leken, het priesterlijke, profetische en koninklijke ambt van Christus deelachtig geworden, vervullen echter een eigen taak in de zending van het gehele volk van God in de Kerk en in de wereld". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het lekenapostolaat, Apostolicam Actuositatem (18 nov 1965), 2. vert. uit Lat. Tenslotte zijn er "in elk van deze beide groepen (gewijde bedienaren en leken) christengelovigen die door de professie van de evangelische raden (...) zich op hun eigen bijzondere wijze aan God toewijden en de heilszending van de Kerk dienen". Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 207. § 2
Waartoe is het kerkelijk ambt ingesteld?
Christus zelf is de bron van het ambt in de Kerk. Hij heeft het ingesteld, en er gezag, een zending, een oriëntatie en een bestemming aan gegeven:
"Om het volk van God te hoeden en steeds verder uit te breiden heeft Christus, de Heer, in zijn Kerk verschillende ambten ingesteld die het welzijn van heel het lichaam tot doel hebben. De bedienaars immers staan krachtens de gewijde macht waarover zij beschikken in dienst van hun broeders, opdat allen die deel uitmaken van Gods volk (...), tot het heil komen". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 18. vert. uit Lat.

"Hoe kan men in Hem geloven zonder van Hem te hebben gehoord? Hoe kan men van Hem horen, als niemand Hem verkondigt?" (Rom. 10, 14-15). Niemand, geen enkel individu, geen enkele gemeenschap, kan aan zichzelf het evangelie verkondigen, "Het geloof ontstaat door prediking" (Rom. 10, 17). Niemand kan zichzelf de opdracht en de zending geven het Evangelie te verkondigen. De gezondene van de Heer spreekt en handelt niet op eigen gezag, maar krachtens het gezag van Christus: niet als lid van de gemeenschap, maar in naam van Christus spreekt hij tot haar. Niemand kan zichzelf de genade schenken, ze moet gegeven en aangeboden worden. Dat veronderstelt bedienaren van de genade die door Christus daartoe gemachtigd en gerechtigd zijn. Van Hem ontvangen de bisschoppen en priesters de zending en de bevoegdheid (de "gewijde macht") te handelen in persona Christi Capitis en de diakens de kracht het volk van God te dienen in de diaconie van de liturgie, van het Woord en van de liefde, in gemeenschap met de bisschop en zijn presbyterium. Dit ambt waarin de gezondenen van Christus door Gods gave doen en geven wat zij uit zichzelf niet kunnen doen en geven, noemt de traditie van de Kerk "sacrament". Het ambt in de Kerk wordt door een eigen Sacrament verleend.

Wezenlijk verbonden met de sacramentele natuur van het kerkelijk ambt is zijn karakter van dienstbaarheid. Immers, geheel afhankelijk van Christus die zijn dienaren hun zending en gezag geeft, zijn zij werkelijk "dienstknechten van Christus" (Rom. 1, 1), naar het beeld van Christus die uit vrije wil voor ons "het bestaan van een slaaf" heeft aangenomen (Fil. 2, 7). Omdat het woord en de genade waarvan zij de bedienaren zijn, niet van henzelf, maar van Christus zijn, die hun deze ten dienste van de anderen heeft toevertrouwd, moeten zij uit vrije wil slaaf van allen worden. Vgl. 1 Kor. 9, 19

Eveneens hoort het tot de sacramentele natuur van het kerkelijk ambt dat het een collegiaal karakter heeft. Immers, vanaf het begin van zijn dienstwerk heeft de Heer de Twaalf "het zaad van het nieuwe Israël en tegelijk de oorsprong van de heilige hiërarchie" aangesteld. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 5 Samen uitgekozen zijn zij ook samen gezonden en hun broederlijke eenheid moet de broederlijke gemeenschap van alle gelovigen dienen; ze zal als een weerspiegeling en een getuigenis zijn van de gemeenschap van de goddelijke personen. Vgl. Joh. 17, 21-23 Daarom oefent iedere bisschop zijn ambt uit binnen het college van bisschoppen, in gemeenschap met de bisschop van Rome, opvolger van de heilige Petrus en hoofd van het college; de priesters oefenen hun ambt uit binnen het priestercollege van het bisdom onder leiding van hun bisschop.

Tenslotte is het aan de sacramentele natuur van het kerkelijk ambt eigen dat het een persoonlijk karakter heeft. Als de dienaren van Christus gemeenschappelijk handelen, dan handelen zij ook altijd persoonlijk. Ieder wordt persoonlijk geroepen: "Gij moet Mij volgen" (Joh. 21, 22) Vgl. Mt. 4, 19.21 Vgl. Joh. 1, 43 om in de gemeenschappelijke zending persoonlijk getuige te zijn door persoonlijk verantwoordelijkheid te dragen ten opzichte van Hem die de zending verleent, door "In zijn persoon" en voor personen te handelen: "Ik doop u in de naam van de Vader (...)"; "Ik vergeef u (...)".

Het sacramentele ambt in de Kerk is dus een dienst die in naam van Christus wordt uitgeoefend. Deze dienst heeft een persoonlijk karakter en een collegiale vorm. Dat wordt bewaarheid in de banden tussen het college van bisschoppen en zijn hoofd, de opvolger van de heilige Petrus, en in de verhouding tussen de pastorale verantwoordelijkheid van de bisschop voor zijn particuliere Kerk en de gemeenschappelijke zorg van het college van bisschoppen voor de universele Kerk.

Het college van bisschoppen en zijn hoofd, de paus

Toen Christus de Twaalf aanstelde "maakte Hij van hen een college of vaste groep en stelde hij Petrus, uit hun midden gekozen, aan hun hoofd". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 22. vert. uit Lat. Vgl. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 330 "Zoals Petrus en de andere apostelen één apostolisch college vormen door de instelling van de Heer, zo zijn op gelijke wijze de paus van Rome, de opvolger van Petrus, en de bisschoppen, de opvolgers van de apostelen, met elkaar verbonden". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 22. vert. uit Lat. Vgl. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 330

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 1 augustus 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam