• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De tekenen die Jezus heeft verricht getuigen ervan dat de Vader Hem gezonden heeft. Vgl. Joh. 5, 36 Vgl. Joh. 10, 25 Zij nodigen ertoe uit in Hem te geloven. Vgl. Joh. 10, 38 Aan hen die zich in geloof tot Hem richten, geeft Hij wat zij vragen. Vgl. Mc. 5, 25-34 Vgl. Mc. 10, 52 Dan versterken de wonderen het geloof in Hem die de werken van zijn Vader doet: zij getuigen dat Hij de Zoon van God is. Vgl. Joh. 10, 31-38 Zij kunnen echter ook "aanstoot geven" Vgl. Mt. 11, 6 . Ze willen de nieuwsgierigheid en het verlangen naar magie niet bevredigen. Ondanks zijn zo duidelijke wonderen wordt Jezus door sommigen toch verworpen; Vgl. Joh. 11, 47-48 men beschuldigt Hem er zelfs van dat Hij werkt met (de hulp van) demonen. Vgl. Mc. 3, 22

Alinea's in de marge van alinea 548

Het geloof en het verstand
Het geloofsmotief ligt niet in het feit dat de geopenbaarde waarheden ons in het licht van ons natuurlijk verstand als waar en begrijpelijk voorkomen. Wij geloven "op gezag van God zelf, die openbaart en zich niet kan vergissen en niet kan bedriegen" 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 10. vert uit Lat.. "Opdat de hulde van het geloof niettemin overeenstemt met ons verstand, heeft God gewild dat de inwendige bijstand van de heilige Geest vergezeld gaat van de uitwendige bewijzen van zijn openbaring". Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 11. vert. uit Lat. Zo zijn de wonderen van Christus en de heiligen, Vgl. Mc. 16, 20 Vgl. Heb 2, 4 de profetieën, de verbreiding en de heiligheid van de Kerk, haar vruchtbaarheid en haar stabiliteit "zekere tekenen van de openbaring, aangepast aan het begrip van ieder" 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 11. vert uit Lat., en "motieven van geloofwaardigheid" die tonen dat de instemming van het geloof "geenszins een blinde gemoedsopwelling is". 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 12. vert uit Lat.
Jezus verhoort het gebed

Het gebed tot Jezus werd al verhoord tijdens zijn openbare leven, via tekenen die vooruitliepen op de macht van zijn dood en verrijzenis: Jezus verhoorde het gelovige gebed, uitgedrukt hetzij in woorden (de melaatse; Vgl. Mc. 1, 40-41 Jaïrus; Vgl. Mc. 5, 36 de Kananeese; Vgl. Mc. 7, 29 de goede moordenaar Vgl. Lc. 23, 39-43 ) hetzij in stilte (de dragers van de lamme; Vgl. Mc. 2, 5 de vrouw die aan bloedvloeiing lijdt en die zijn kleren aanraakt; Vgl. Mc. 5, 28 de tranen en de balsem van de zondares Vgl. Lc. 7, 37-38 ). Het dringende verzoek van de blinden "Heb medelijden met ons, Zoon van David" (Mt. 9, 27) of "Zoon van David, heb medelijden met mij" (Mc. 10, 48) is overgenomen in de traditie van het gebed tot Jezus: "Jezus, Christus, Zoon van God, Heer, wees mij, zondaar, genadig!". Of het nu gaat om genezing van ziekten of vergiffenis van zonden, Jezus beantwoordt steeds het gebed dat Hem met geloof aanroept: "Ga in vrede, uw geloof heeft u gered".

De heilige Augustinus vat op bewonderenswaardige wijze de drie dimensies van het gebed van Jezus samen: "Hij bidt voor ons als onze priester. Hij bidt in ons allen als ons hoofd en wij bidden tot Hem als onze God. Erkennen wij dan ook onze stem in Hem en zijn stem in ons". H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos. 85,1 Vgl. Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Liturgie van de Getijden volgens de Romeinse ritus (tweede standaarduitgave 1985), Algemene inleiding op het getijdengebed, Institutio Generalis de Liturgia Horarum (7 apr 1985). 7  (in: Getijdenboek, Alg. inl./Eigen teksten blz. 23; Vgl. ook: Getijdenboek. Lect. I,2,92

Vanaf het begin van het openbaar leven van Jezus zijn een aantal Farizeeën en partijgenoten van Herodes, samen met priesters en schriftgeleerden overeengekomen Hem in het verderf te storten. Vgl. Mc. 3, 6 Door bepaalde daden (duiveluitdrijvingen Vgl. Mt. 12, 24 ; vergeving van de zonden Vgl. Mc. 2, 7 ; genezingen op de dag van de sabbat Vgl. Mc. 3, 1-6 ; uitleg van de reinigingsvoorschriften van de Wet naar hun oorspronkelijke bedoeling Vgl. Mc. 7, 14-23 ; omgang met tollenaars en publieke zondaars Vgl. Mc. 2, 14-17 ) heeft Jezus bij sommige kwaadwilligen de verdenking op zich geladen bezeten te zijn. Vgl. Mc. 3, 22 Vgl. Joh. 8, 48 Vgl. Joh. 10, 20 Men beschuldigde Hem van godslastering Vgl. Mc. 2, 7 Vgl. Joh. 5, 18 Vgl. Joh. 10, 33 , vals profetisme Vgl. Joh. 7, 12 Vgl. Joh. 7, 52 en religieuze misdaden die de Wet met de dood door steniging bestrafte. Vgl. Joh. 8, 59 Vgl. Joh. 10, 31

Jezus geeft zichzelf in bedekte termen deze benaming, wanneer Hij met de Farizeeën over de betekenis van psalm 110 van gedachten wisselt, Vgl. Mt. 22, 41-46 Vgl. Heb. 1, 13 maar ook expliciet, wanneer Hij zich tot zijn apostelen richt. Vgl. Joh. 13, 13 Zijn hele openbare leven lang toonden de daden waaruit zijn macht over de natuur, over ziekten, demonen, dood en zonde sprak, zijn goddelijke soevereiniteit.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam