• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De onbevlekte ontvangenis
Om Moeder van de Verlosser te zijn werd Maria "door God begiftigd met gaven die pasten bij een zo grote taak". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 56. vert. uit Lat. De engel Gabriël begroet haar op het ogenblik van de boodschap als "vol van genade". (Lc. 1, 28) Immers, om de vrijwillige instemming van haar geloof te kunnen geven bij de aankondiging van haar roeping moest zij geheel gedragen worden door Gods genade.

Alinea's in de marge van alinea 490

Deze dubbele beweging van het gebed tot Maria komt op heel indrukwekkende wijze tot uiting in het gebed van het "Wees gegroet":

"Wees gegroet, Maria (Verheug u, Maria)" Met deze begroeting van de engel Gabriël begint het gebed tot Maria. Het is God zelf, die Maria groet door tussenkomst van zijn engel. Wij durven in ons gebed de begroeting van Maria opnieuw in de mond te nemen met dezelfde blik waarmee God neerzag op zijn nederige dienstmaagd, Vgl. Lc. 1, 48 en wij durven opgetogen te zijn om de vreugde die Hij om haar heeft. Vgl. Sef. 3, 17b

"Vol van genade, de Heer is met u": de beide delen van de groet van de engel verklaren elkaar wederzijds. Maria is vol van genade, omdat de Heer met haar is. De genade waarmee zij overladen wordt, bestaat in de aanwezigheid van Hem die de bron is van elke genade. "Verheug u (...) dochter Jeruzalem (...) de Heer is binnen uw muren" (Sef. 3, 14.17a). Maria, in wie de Heer hoogst persoonlijk zijn intrek komt nemen, is in persoon de dochter van Sion, de ark van het verbond, de plaats waar de heerlijkheid van de Heer verblijf houdt: zij is "Gods woning onder de mensen" (Openb. 21, 3). In haar hoedanigheid "vol van genade" is zij geheel en al toegewijd aan Hem die zijn intrek komt nemen in haar en die zij aan de wereld zal schenken.

"Gij zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is Jezus, de vrucht van Uw schoot" . Na de begroeting door de engel, maken wij ook de begroeting door Elisabeth tot de onze. "Vervuld met de heilige Geest" (Lc. 1, 41) is Elisabeth de eerste in een lange opeenvolging van geslachten die Maria zalig prijzen: Vgl. Lc. 1, 48 "Zalig zij die geloofd heeft (...)" (Lc. 1, 45); Maria is "gezegend onder de vrouwen", omdat zij geloofd heeft in de vervulling van het woord van de Heer. Abraham is door zijn geloof een zegen geworden voor "alle geslachten op aarde" (Gen. 12, 3). Door haar geloof is Maria de moeder van de gelovigen geworden; dankzij haar ontvangen alle geslachten op aarde Hem die de zegen zelf van God is: "Jezus, de gezegende vrucht van uw schoot".

De overwinning op de "vorst van de wereld" Vgl. Joh. 14, 30 is, voorgoed, behaald in het uur waarin Jezus zich vrijwillig overlevert aan de dood om ons zijn leven te geven. Dan wordt er geoordeeld over deze wereld en de vorst van deze wereld wordt "buitengeworpen" Vgl. Joh. 12,31 Vgl. Openb. 12,11 "Hij zet de achtervolging in op de vrouw", Vgl. Openb. 12, 13-16 maar hij heeft geen vat op haar: de nieuwe Eva, "vol van genade" van de heilige Geest, wordt bewaard voor de zonde en van het bederf van de dood (Onbevlekte Ontvangenis en Tenhemelopneming van de allerheiligste Moeder van God, Maria, altijd maagd) "Toen, om zijn woede op de vrouw te koelen, ging de draak heen, om de overige van haar kinderen te beoorlogen" (Openb. 12, 17). Daarom bidden de Geest en de Kerk: "Kom, Heer Jezus" (Openb. 22, 17.20), omdat zijn komst ons immers zal verlossen van de Boze.

De voorbereiding van de mens op het ontvangen van de genade is al een uitwerking van de genade. Deze voorbereiding is nodig om onze medewerking aan de rechtvaardiging door het geloof en aan de heiliging door de liefde, op te wekken en te steunen. God voltooit in ons wat Hij begonnen is, "want Hij staat aan het begin door zo op ons in te werken dat wij willen: Hij is het ook die het werk voltooit door met onze reeds bekeerde wil mee te werken". H. Augustinus, De genade en de vrije wilskeuze, De gratia et libero arbitrio. 17: PL 44, 901

Zeker, wijzelf handelen ook, maar we werken slechts mee met het handelen van God. Zijn barmhartigheid gaat aan ons immers vooraf, opdat wij genezen zouden worden; zij volgt ons echter ook, opdat wij - eenmaal genezen - ten leven gewekt zouden worden. Zij gaat ons vooraf, opdat wij geroepen zouden worden, zij volgt ons, opdat wij verheerlijkt zouden worden; ze gaat ons vóór, opdat we godvruchtig zouden leven, ze volgt ons, opdat wij voortdurend met God zouden leven, want zonder Hem kunnen wij niets doen. H. Augustinus, De natura et gratia. 31

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 2 juni 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam