• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De eerste mens is niet alleen als van nature goed geschapen, maar hij werd in een staat van vriendschap met zijn Schepper geplaatst en van harmonie met zichzelf en de schepping rondom hem. Deze waarden zijn alleen overtroffen door de heerlijkheid van de nieuwe schepping in Christus.
Wanneer de kerk op authentieke wijze de symboliek van de taal van de bijbel in het licht van het Nieuwe Testament en de overlevering uitlegt, leert zij dat onze eerste ouders Adam en Eva in een staat van "oorspronkelijke heiligheid en gerechtigheid" gesteld waren. Concilie van Trente, 5e Zitting - Decreet over de erfzonde, Sessio V - Decretum super peccato originali (17 juni 1546), 1. vert uit Lat. Deze genade van oorspronkelijke heiligheid was "een deel hebben aan het goddelijk leven". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 2. vert. uit Lat.
Door de uitstraling van deze genade werd het leven van de mens in al zijn dimensies gesterkt. Zolang de mens een innig contact met God bleef houden, hoefde hij noch te sterven, Vgl. Gen. 2, 17 Vgl. Gen. 3, 19 noch te lijden. Vgl. Gen. 3, 16 De innerlijke harmonie nu van de menselijke persoon, de harmonie tussen man en vrouw, Vgl. Gen. 2, 25 de harmonie tenslotte tussen het eerste mensenpaar en heel de schepping was de staat die "oorspronkelijke gerechtigheid" genoemd wordt.
Het "heersen over" de wereld dat God de mens vanaf het begin toegestaan had, kwam vooral bij de mens zelf tot stand als beheersing van zichzelf. De mens was ongerept en geordend in heel zijn wezen, omdat hij vrij was van de drievoudige begeerte Vgl. 1 Joh. 2, 16 die hem onderwerpt aan het begeren van het vlees, aan de begeerte naar aardse goederen (het begeren der ogen) en aan de zelfbevestiging tegen hetgeen het verstand voorschrijft, in.
Als teken van de vertrouwelijke omgang met God plaatste God hem in de tuin van Eden. Vgl. Gen. 2, 8 De mens leeft er "om de grond te bewerken en te beheren" (Gen. 2, 15): het werk is geen moeizame inspanning, Vgl. Gen. 3, 17-19 maar een samenwerking van de man en de vrouw met God bij de vervolmaking van de zichtbare schepping.
Het is heel deze harmonie van de oorspronkelijke gerechtigheid, in Gods heilsplan voor de mens voorzien, die door de zonde van onze stamouders verloren zal gaan.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 16 november 2018

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam