• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Deze bede raakt de wortel van de voorafgaande, want onze zonden zijn de vrucht van de instemming met de bekoring. Wij vragen onze Vader ons niet "in bekoring te leiden". Het is moeilijk om de Griekse term in een enkel woord te vertalen: het betekent "laat niet binnengaan in", Vgl. Mt. 26, 41 "laat ons niet bezwijken voor de bekoring". "God brengt niemand in verzoeking, zo min als Hijzelf door het kwade kan worden bekoord" (Jak. 1, 13), Hij wil ons er juist van bevrijden. Wij vragen Hem om ons niet de weg te laten inslaan die leidt naar de zonde. Wij raken verwikkeld in het gevecht "tussen het vlees en de Geest". Met deze bede smeken wij de Geest van onderscheiding en van kracht af.

De Heilige Geest doet ons onderscheid maken tussen de beproeving, die noodzakelijk is voor de groei van de inwendige mens Vgl. Lc. 8, 13-15 Vgl. Hand. 14, 22 Vgl. 2 Tim. 3, 12 met het oog op een "beproefde deugd" Vgl. Rom. 5, 3-5 en de bekoring, die leidt tot de zonde en tot de dood. Vgl. Jak. 1, 14-15 Ook moeten wij onderscheid maken tussen "bekoord worden" en "instemmen" met de bekoring. Door de onderscheiding van de Geest wordt tenslotte de leugen van de bekoring ontmaskerd. Ogenschijnlijk is het voorwerp ervan "goed, een lust voor het oog, aantrekkelijk" (Gen. 3, 6), terwijl de vrucht ervan in werkelijkheid de dood is.

God wil het goede niet afdwingen, Hij wil vrije wezens (...). De bekoring heeft een zeker nut. Niemand behalve God weet, wat onze ziel van God ontvangen heeft, ook wijzelf niet. Maar de bekoring brengt het aan het licht, om ons te leren tot zelfkennis te komen en op deze wijze onze ellende te ontdekken. Zo worden we verplicht om dank te zeggen voor het goede, dat de bekoring voor ons aan het licht heeft gebracht. Origenes van Alexandrië, Over het gebed, De Oratione. 29, vert. uit Gr.

"Niet ingaan op de bekoring" houdt een beslissing van het hart in: "Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn (...) Niemand kan twee heren dienen" (Mt. 6, 21.24). "Daar wij leven door de Geest, willen we ook leven volgens de Geest" instemming" met de Heilige Geest geeft de Vader ons de (Gal. 5, 25). In deze kracht "Gij hebt nog geen enkele beproeving doorstaan die de menselijke maat overschrijdt. Maar God is getrouw. Hij zal niet toelaten dat gij boven uw krachten beproefd wordt. Met de beproeving bepaalt Hij al het einde, zodat gij ze kunt doorstaan" (1 Kor. 10, 13).

Welnu, een dergelijk gevecht en een dergelijke overwinning zijn alleen maar mogelijk in het gebed. Door zijn gebed zegeviert Jezus over de verleider, meteen al aan het begin Vgl. Mt. 4, 1-11 en in het uiteindelijke gevecht van zijn doodstrijd. Vgl. Mt. 26, 36-44 In deze bede aan de Vader verenigt Christus ons met zijn gevecht en zijn doodsstrijd. Er wordt met nadruk Vgl. Mc. 13, 9.23.33-37 Vgl. Mc. 14, 38 Vgl. Lc. 12, 35-40 een beroep gedaan op de waakzaamheid van het hart in gemeenschap met zijn waakzaamheid. De waakzaamheid is "de hoedster van het hart" en Jezus vraagt aan de Vader om ons te "bewaren in zijn Naam". Vgl. Joh. 17, 11 De Heilige Geest probeert ons onophoudelijk op te wekken tot deze waakzaamheid. Vgl. 1 Kor. 16, 13 Vgl. Kol. 4, 2 Vgl. 1 Tess. 5, 6 Vgl. 1 Pt. 5, 8 Heel de dramatische betekenis van deze bede ligt hierin dat zij verband houdt met de laatste bekoring van ons gevecht op aarde; in deze bede vragen wij om volharding in het laatste uur. "Ik kom als een dief! Gelukkig de mens die wakker blijft!" (Openb. 16, 15).

De laatste bede tot onze Vader klinkt ook door in het gebed van Jezus: "Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor het kwaad" (Joh. 17, 15). Deze vraag heeft betrekking op ons, op ieder van ons persoonlijk, maar het gaat steeds om "ons" die bidden, in gemeenschap met de hele Kerk en met als doel de verlossing van de hele menselijke gemeenschap. Het gebed van de Heer maakt ons onophoudelijk ontvankelijk voor de volle omvang van het heilsbestel. Onze onderlinge afhankelijkheid in het drama van de zonde en de dood wordt omgezet in solidariteit binnen het lichaam van Christus, in de "gemeenschap van de heiligen". Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de verzoening en boete in de zending van de Kerk in deze tijd, Reconciliatio et paenitentia (2 dec 1984), 16

In deze bede is het kwade geen abstract begrip, maar het duidt een persoon aan, de Satan, de Boze, de engel die zich verzet tegen God De duivel (dia-bolos) is degene die "dwarsligt" bij het plan van God en bij zijn "heilswerk" dat in Christus voltooid is.

"Satan, die de hele wereld verleidt" (Openb. 12, 9) "was van begin af aan een moordenaar (...) een leugenaar, ja, de aartsleugenaar" (Joh. 8, 44). Door hem zijn de zonde en de dood in de wereld gekomen en door zijn definitieve nederlaag zal heel de schepping "uit zonde en dood (...) opgericht" worden. Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Editio typica tertio emendata 2002/2008, Missale Romanum (6 okt 2008). Eucharistisch gebed IV, Altaarmissaal (NL) blz. 713; Missaal voor Zon en Feestdagen (B) 306. "Wij weten dat een kind van God niet zondigt; de Zoon van God behoedt hem, en de boze heeft geen vat op hem. Wij weten dat wij bij God horen, terwijl de hele boze wereld in de macht van de boze ligt" (1 Joh. 5, 18-19):

De Heer, die uw zonde heeft weggenomen en uw fouten vergeven heeft, is ook bij machte om u te beschermen en te behoeden voor de hinderlagen van de duivel, die uw tegenstander is. Zodoende kan de vijand, die gewoon is de schuldigheid voort te brengen, u niet overrompelen. Wie zich toevertrouwt aan God, vreest de duivel niet. "Indien God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn?" (Rom. 8, 31). H. Ambrosius van Milaan, Over de Sacramenten, De Sacramentis. 5,30 vert. uit Lat.

De overwinning op de "vorst van de wereld" Vgl. Joh. 14, 30 is, voorgoed, behaald in het uur waarin Jezus zich vrijwillig overlevert aan de dood om ons zijn leven te geven. Dan wordt er geoordeeld over deze wereld en de vorst van deze wereld wordt "buitengeworpen" Vgl. Joh. 12,31 Vgl. Apok. 12,11 "Hij zet de achtervolging in op de vrouw", Vgl. Openb. 12, 13-16 maar hij heeft geen vat op haar: de nieuwe Eva, "vol van genade" van de heilige Geest, wordt bewaard voor de zonde en van het bederf van de dood (Onbevlekte Ontvangenis en Tenhemelopneming van de allerheiligste Moeder van God, Maria, altijd maagd) "Toen, om zijn woede op de vrouw te koelen, ging de draak heen, om de overige van haar kinderen te beoorlogen" (Openb. 12, 17). Daarom bidden de Geest en de Kerk: "Kom, Heer Jezus" (Openb. 22, 17.20), omdat zijn komst ons immers zal verlossen van de Boze.

Wanneer wij vragen om verlost te worden van de Boze, bidden wij evenzeer om bevrijd te worden van al het kwaad, in heden, verleden en toekomst, dat hij tot stand brengt of waarvan hij de aanstichter is In deze afsluitende bede brengt de Kerk heel de ellende van de wereld tot de Vader. Met de verlossing uit al het kwaad dat de mensheid neerdrukt, smeekt zij de kostbare gave van de vrede af en de genade van de volhardende verwachting van de wederkomst van Christus. Door zo te bidden loopt zij in de nederigheid van het geloof vooruit op het moment waarop alles en iedereen onder een hoofd wordt gebracht in Hem die "de sleutels van de dood en het dodenrijk heeft" (Openb. 1, 18), "'die is en die was en die komt', de Albeheerser" (Openb. 1, 8): Vgl. Openb. 1, 4

Verlos ons, Heer, van alle kwaad, geef vrede in onze dagen; dat wij, gesteund door uw barmhartigheid, vrij mogen zijn van zonde en beveiligd tegen alle onrust, hoopvol wachtend op de komst van Jezus, Messias, uw Zoon. Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Editio typica tertio emendata 2002/2008, Missale Romanum (6 okt 2008). Embolisme, Altaarmissaal (NL) blz. 715; Missaal voor Zon. en Feestdagen (B), 360

De afsluitende lofprijzing "Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid" herneemt, bij wijze van inclusie, de drie eerste beden aan onze Vader de verheerlijking van zijn naam, de komst van zijn rijk en de kracht van zijn reddende wil. Maar deze herneming gebeurt in de vorm van aanbidding en dankzegging, zoals in de hemelse liturgie. Vgl. Openb. 1,6 Vgl. Openb. 4, 11 Vgl. Openb. 5, 13 De vorst van deze wereld had zich deze drie titels, die van het koningschap, de kracht en de heerlijkheid door middel van bedrog toegeëigend; Vgl. Lc. 4, 5-6 Christus, de Heer, geeft ze terug aan zijn Vader en onze Vader, totdat Hij Hem het koninkrijk in handen geeft, op het moment dat het heilsmysterie voorgoed zal worden voltooid en God alles in allen zal zijn. Vgl. 1 Kor. 15, 24-28

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 13 augustus 2018

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam