• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Moeilijkheden van het gebed

De gebruikelijke moeilijkheid van ons gebed is de verstrooiing. Bij het mondgebed kan zij betrekking hebben op de woorden en hun betekenis; zij kan ook dieper zitten en betrekking hebben op Hem tot wie wij bidden; dit kan optreden bij het mondgebed (liturgisch of persoonlijk), bij de meditatie en bij het inwendig gebed. Op jacht gaan naar de verstrooiingen zou betekenen dat wij erin verstrikt waken, terwijl het voldoende is om terug te keren tot ons hart: een verstrooiing openbaart ons datgene waaraan wij gehecht zijn, en dit nederig besef voor onze Heer moet onze voorkeursliefde voor Hem opwekken, doordat wij Hem vastberaden ons hart aanbieden om het door Hem te laten zuiveren. Dat is de plaats van het gevecht, daar wordt de keuze gemaakt welke heer wij willen dienen. Vgl. Mt. 6,21.24

Positief geredeneerd is het gevecht tegen ons eigen ik dat wil bezitten en heersen, de waakzaamheid, de soberheid van het hart. Wanneer Jezus de nadruk legt op de waakzaamheid, dan gaat het steeds om Hem, tot zijn komst op de laatste dag en op elke dag: het "heden". De bruidegom komt midden in de nacht; het licht dat niet mag doven, is het licht van het geloof: "Tot U spreekt mijn hart, naar U zie ik op, uw aanschijn, Heer, tracht ik te zien" (Ps. 27,8).

Een andere moeilijkheid, in het bijzonder voor hen die oprecht willen bidden, is de dorheid. De dorheid maakt deel uit van het inwendig gebed, waarin aan het hart iedere smaak voor gedachten, herinneringen en gevoelens, zelfs spirituele, ontzegd wordt. Dat is de tijd van het zuivere geloof dat trouw, samen met Jezus, blijft verwijlen in de doodstrijd en in het graf. "Als de graankorrel sterft, brengt hij veel vrucht voort" (Joh. 12,24). Als de dorheid te wijten is aan gebrek aan wortel, omdat het woord op rotsachtige grond gevallen is, dan wordt het een strijd die naar bekering moet leiden. Vgl. Lc. 8,6.13

Bij bekoringen in het gebed
De meest gangbare en verborgen bekoring is ons gebrek aan geloof. Dit komt minder tot uiting in een uitgesproken ongelovigheid dan wel in een daadwerkelijke voorkeur. Wanneer wij beginnen te bidden, dwingen zich duizend werken of zorgen op die dwingend geacht worden, alsof zij voorrang hebben; dit is opnieuw het uur van de waarheid voor het hart en zijn voorkeursliefde. Nu eens keren wij ons tot de Heer als de laatste toevlucht: maar geloven wij er werkelijk in? Dan weer nemen wij de Heer als bondgenoot, maar het hart is nog verwaand. In alle gevallen brengt ons gebrek aan geloof aan het licht dat Wij nog niet in de gesteldheid van het nederige hart zijn: "Los van Mij kunt gij niets" (Joh. 15,5).
Een andere bekoring waarvoor de verwaandheid de deur wijd open zet, is de lusteloosheid. De geestelijke vaders verstaan hieronder een vorm van depressiviteit die te wijten is aan de verslapping van de ascese, aan de vermindering van de waakzaamheid, aan de verwaarlozing van het hart. "De geest is wel gewillig maar het vlees is zwak" (Mt. 26,41). Van hoe hoger men valt, des te meer doet men zich zeer. De ontmoediging, die gepaard gaat met veel verdriet, is de keerzijde van de verwaandheid. Wie echter nederig is, verbaast zich niet over zijn ellende; de ellende brengt hem tot meer vertrouwen, tot standvastige volhouding.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 12 april 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam