• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Zolang de vrijheid niet definitief gevestigd is in haar uiteindelijk goed dat God is, impliceert zij de keuzemogelijkheid tussen goed en kwaad, dus de mogelijkheid om te groeien in volmaaktheid of te bezwijken en te zondigen. Zij karakteriseert de eigenlijk menselijke daden. Ze wordt bron van lof of blaam, van verdienste of tekortkoming.

Alinea's in de marge van alinea 1732

De beproeving van de vrijheid
God heeft de mens naar zijn beeld geschapen en hem in zijn vriendschap gesteld. Als geestelijk wezen kan de mens deze vriendschap alleen maar beleven door zich vrijwillig aan God te onderwerpen. Het verbod aan de mens om van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten brengt dat tot uitdrukking, "want op de dag dat gij daarvan eet, moet ge sterven" (Gen. 2, 17). "De boom van de kennis van goed en kwaad" (Gen. 2, 17) roept symbolisch het beeld op van de niet te overschrijden grens die de mens, als schepsel, in vrijheid moet erkennen en vol vertrouwen moet eerbiedigen. De mens is afhankelijk van de Schepper, hij is onderworpen aan de wetten van de schepping en aan de morele normen die het gebruik van de vrijheid regelen.

De zonde is een vergrijp tegen de rede, de waarheid en het juiste geweten; ze is een tekort aan echte liefde tot God en tot de mensen, omwille van een ontaarde gehechtheid aan bepaalde goederen. Ze kwetst de natuur van de mens en tast de menselijke solidariteit aan. Ze is omschreven als "een woord, een daad of een verlangen in tegenspraak met de eeuwige wet". H. Augustinus, In discussie met de manicheeër Faustus, Contra Faustum Manichaeum (1 jan 397). 22 H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II,71,6

Gij wordt geprezen in uw heiligen: als Gij hun verdiensten bekroont, bekroont Gij uw eigen gaven. MR, Prefatie 1 van de heiligen, waarin aangehaald de "leermeester van de genade", H. Augustinus, Ps. 102,7, vert. Altaarmissaal (NL) 662; Missaal voor de Weekdagen (B), 296
Een gemeenschap of vereniging is voor het werk van één van haar leden een vergoeding verschuldigd . Het is deze verschuldigde vergoeding die in het algemeen met de term "verdienste" wordt aangeduid. Dit werk wordt dan gezien als een weldaad of een wandaad, waarvoor iemand een beloning of een straf verdient. De verdienste vloeit voort uit de deugd van rechtvaardigheid in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel dat haar leidt.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 1 augustus 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam