Over de roeping en de zending van de leken in de Kerk
(Soort document: Z. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie)
Paus Johannes Paulus II - 30 december 1988
![]() |
|
Deze site is er voor u,
|
► Design: © Jaimy Dix Reclamebureau
► Techniek: © InterBrug
|
Vanuit documenten: ► ...
Vanuit dossiers: |
| Pagina delen: |
Paus Johannes Paulus II - 30 december 1988
|
De heilszending van de Kerk in de wereld wordt niet alleen vervuld door de bedienaren uit kracht van het wijdingssacrament maar ook door alle lekengelovigen: krachtens hun staat van gedoopten en hun specifieke roeping nemen zij inderdaad, ieder in eigen mate, deel aan het priesterlijke, profetische en koninklijke ambt van Christus.
Daarom moeten de herders de bedieningen, ambten en functies van de lekengelovigen erkennen en bevorderen, welke hun sacramentele grondslag hebben in het doopsel en in het vormsel en voor velen ook in het huwelijk. Als de noodzaak of het nut van de Kerk het eisen kunnen de herders verder aan de lekengelovigen bepaalde taken toevertrouwen die met hun eigen herderlijke bediening verbonden zijn maar niet het kenmerk van de wijding vereisen, in overeenstemming met de normen die vastgesteld zijn door het algemene recht. Het Wetboek van Canoniek Recht schrijft: “Waar de nood van de Kerk dit wenselijk maakt, kunnen bij gebrek aan bedienaren ook leken, al zijn zij geen lector of acoliet, sommige van hun taken waarnemen, namelijk de bediening van het woord uitoefenen, in liturgische gebeden voorgaan, het doopsel toedienen en de heilige Communie uitreiken, volgens de voorschriften van het recht” 1 . Maar de uitoefening van een dergelijke taak maakt van de lekegelovige geen herder: wat in feite constitutief is voor de bediening is niet de taak maar de sacramentele wijding. Alleen het wijdingssacrament verleent aan de gewijde bedienaar en bijzondere deelname aan het ambt van Christus, het Hoofd en de Herder, en aan zijn eeuwig priesterschap 2 . De taak die bij wijze van suppletie uitgeoefend wordt, ontleend haar legitimatie onmiddellijk en formeel aan de officiële afvaardiging die door de herders gegeven wordt en waarvan de concrete vervulling geleid wordt door het kerkelijk gezag 3 . De jongste vergadering van de synode heeft een ruim en sprekend panorama geboden van de situatie in de Kerk wat de bedieningen, ambten en functies van de gedoopten betreft. De vaders hebben grote waardering uitgesproken voor de apostolische bijdragen van de leken, mannen en vrouwen, ten behoeve van de evangelisatie, de heiliging en de christelijke bezieling van de tijdelijke werkelijkheden, alsmede voor hun edelmoedige bereidheid om in noodsituatie en in gevallen van blijvende noodzaak in te vallen 4 5 6 7 8 9 . Als gevolg van de liturgische vernieuwing die het Concilie gebracht heeft, zijn de lekengelovigen zich levendiger bewust geworden van hun taken in de liturgische bijeenkomst en in de voorbereiding ervan en zij hebben zich ruimschoots beschikbaar gesteld om deze taken te vervullen: de liturgische viering is inderdaad niet alleen een heilige handeling van de geestelijkheid maar van heel de vergadering. Daarom is het natuurlijk dat de taken die niet de eigenlijke taken van de gewijde bedienaren zijn, door lekengelovigen vervuld worden 10 11 . De lekengelovigen zijn vervolgens spontaan overgegaan van een effectieve betrokkenheid in de liturgische handeling op de deelname aan de verkondiging van het woord Gods en aan de pastorale zorg 12 Naast die positieve oordelen hebben echter in de vergadering van de synode kritische oordelen niet ontbroken over het willekeurig gebruik van de term “bediening” , het verwarren en soms nivelleren van het algemene priesterschap en het ambtelijke priesterschap, en geringe naleving van bepaalde kerkelijke wetten en normen, de willekeurige interpretatie van het begrip “suppletie” , de neiging tot “clericalisatie” van de lekengelovigen en het risico van de feitelijke schepping van een kerkelijke dienstenstructuur die parallel is aan de op het wijdingssacrament gebaseerde structuur. Juist om deze gevaren te overwinnen hebben de synodevaders benadrukt dat het noodzakelijk is met duidelijkheid, ook door een meer nauwkeurige woordkeus te gebruiken 13 , de eenheid van de zending van de Kerk waaraan alle gedoopten deelnemen, uit te drukken alsmede het wezenlijke verschil van de bediening van de herders welke geworteld is in het wijdingssacrament, ten opzichte van de andere kerkelijke bedieningen, ambten en functies, die geworteld zijn in de sacramenten van het doopsel en het vormsel. Het is dan op de eerste plaats nodig dat de herders, als zij de verschillende bedieningen, ambten en functies aan de lekengelovigen toekennen en toevertrouwen, de grootste zorg hebben om hen te onderrichten over het feit dat deze zaken geworteld zijn in het doopsel. Verder is het nodig dat de herders erop toezien dat een gemakkelijk en onrechtmatig beroep op veronderstelde “noodsituaties” of “situaties van noodzakelijke suppletie” wordt vermeden daar waar zij niet objectief bestaan of daar waar het mogelijk is erin te voorzien door een meer rationele pastorale planning. De leken moeten de verschillende bedieningen, ambten en functies die zij regelmatig kunnen uitoefenen in de liturgie, in het overdragen van het geloof en in de pastorale structuren van de Kerk, uitoefenen in overeenstemming met hun specifieke lekenroeping welke verschilt van die van de gewijde bedienaren. De exhortatie Evangelii Nuntiandi, die zo’n groot en weldadig aandeel heeft gehad in het stimuleren van de gevarieerde medewerking van de lekengelovigen aan het leven en aan de zending der evangelisatie van de Kerk, merkt in dit opzicht op dat
Gedurende de werkzaamheden van de synode hebben de vaders veel aandacht besteed aan de functies van lector en acoliet. Terwijl deze in het verleden in de Latijnse Kerk alleen bestonden als geestelijke etappe van de weg naar de gewijde bedieningen, hebben zij door het motu proprio Ministeria quaedam van Paulus VI (15 augustus 1972) een eigen autonomie en duurzaamheid gekregen, alsook de mogelijkheid om bestemd te worden voor de lekengelovigen, hoewel alleen voor mannen. Het nieuwe Wetboek van Canoniek Recht heeft zich in dezelfde zin uitgesproken 15 . De synodevaders hebben nu de wens uitgedrukt dat “het motu proprio “Ministeria quaedam” wordt herzien, rekening houdend met de gebruiken van de plaatselijke kerken en vooral door de criteria aan te geven volgens welke degenen die voor de diverse bedieningen bestemd zijn, moeten worden gekozen” 16 . Met het oog daarop is een commissie ad hoc ingesteld die niet alleen moet voldoen aan deze wens van de synodevaders maar ook en nog meer op grondige wijze de verschillende theologische, juridische en pastorale problemen moet bestuderen die opgeworpen worden door de huidige grote bloei van bediendingen welke aan leken zijn toevertrouwd. In afwachting van de afsluiting van de studie van de commissie moeten alle particuliere kerken de bovenvermelde theologische beginselen trouw respecteren, in het bijzonder het wezenlijke verschil tussen het ambtelijke priesterschap en het algemene priesterschap en bijgevolg het verschil tussen de bedieningen die voortkomen uit het Sacrament van het Priesterschap, en de bedieningen die voortvloeien uit de Sacramenten van het Doopsel en het Vormsel, opdat de uitoefening van de bedieningen welke toevertrouwd zijn aan de lekengelovigen in de Kerk ordelijk en vruchtbaar mag zijn. |
||