(Soort document: Catechismus-Compendium)
15 augustus 1997
![]() |
|
Deze site is er voor u,
|
► Design: © Jaimy Dix Reclamebureau
► Techniek: © InterBrug
|
Vanuit documenten: ► ...
Vanuit dossiers: ► ...
|
| Pagina delen: |
15 augustus 1997
|
De zonde schept een drang naar de zonde; ze veroorzaakt de ondeugd door het herhalen van dezelfde daden. Hieruit vloeien verkeerde neigingen voort die het geweten verduisteren en de concrete beoordeling van goed en kwaad aantasten. Zo streeft de zonde ernaar zichzelf te herhalen en te versterken, maar ze kan niet de morele zin tot in de wortel uitroeien.
|
||
|
De ondeugden kunnen gerangschikt worden volgens de deugden waarmee ze strijdig zijn, of ze kunnen verbonden worden met de hoofdzonden die de christengemeenschap heeft onderscheiden in navolging van de heilige Johannes . Cassianus en de heilige Gregorius de Grote. 1 Ze worden hoofdzonden genoemd omdat ze andere zonden, andere ondeugden, voortbrengen. Het zijn de hoogmoed, de gierigheid, de nijd, de gramschap, de onkuisheid, de gulzigheid, de traagheid of de lauwheid.
|
||
|
De zonde is een persoonlijke daad. Bovendien zijn wij mede verantwoordelijk voor zonden die door anderen begaan worden als wij eraan meewerken :
- door rechtstreeks en vrijwillig mee te werken; - door ze te bevelen, aan te raden, te loven of goed te keuren; - door ze niet bekend te maken of te verhinderen dat ze bekend worden, wanneer men ertoe gehouden is; - door hen die kwaad doen, te beschermen. |
||
|
Zo maakt de zonde de mensen tot medeplichtigen van elkaar, ze laat onder hen begeerlijkheid, geweld en onrecht heersen. De zonden veroorzaken sociale toestanden en roepen instellingen in het leven, die indruisen tegen de goddelijke goedheid. De "structuren van de zonde" zijn de uitdrukking en het gevolg van persoonlijke zonden. Ze brengen hun slachtoffers ertoe, op hun beurt kwaad te doen. In analoge zin zijn ze een "sociale zonde". 7
|
||
| 1 | Mor. 31,45 |
| 2 | Vgl. Gen. 4,10 |
| 3 | Vgl. Gen 18,20; 19,13. |
| 4 | Vgl. Ex. 22,20-22 |
| 5 | Vgl. Ex. 22,20-22 |
| 6 | Vgl. Deut. 24,14-15; Jak. 5,4 |
| 7 | Vgl. RP 16 |