Bij de afsluiting van de 25e Italiaans Nationaal Eucharistisch Congres
(Soort document: Paus Benedictus XVI - Homilie)
Paus Benedictus XVI - 11 september 2011
![]() |
|
Deze site is er voor u,
|
► Design: © Jaimy Dix Reclamebureau
► Techniek: © InterBrug
|
Vanuit documenten: ► Geen documenten gevonden!
Vanuit dossiers: |
| Pagina delen: |
Paus Benedictus XVI - 11 september 2011
|
Zes jaar geleden leidde mijn eerste apostolische reis onder mijn pontificaat in Italië, mij naar Bari voor het 24e nationale Eucharistische Congres. Vandaag besluit ik hier in Ancona plechtig het 25e Congres. Ik dank de Heer voor deze innige Kerkelijke momenten die onze liefde voor de Eucharistie versterken en die ons rond de Eucharistie verenigd zien! Bari en Ancona, twee steden die uitkijken op de Adriatische Zee; twee steden rijk aan geschiedenis en christelijk leven; twee steden open voor het Oosten, zijn cultuur en spiritualiteit; twee steden waarvan de thema’s van de Eucharistische Congressen de toenadering hebben bevorderd: in Bari, dat wij zonder de zondag niet kunnen leven; vandaag, wat de Eucharistie is voor het dagelijks leven. |
||
|
Vooraleer u enkele overwegingen voor te leggen, wil ik u allen danken voor uw deelname {...}. |
||
|
“Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie kan daar naar luisteren?” (Joh. 6, 60). Tegenover Jezus’ redevoering in de synagoge van Kafarnaüm over het brood des levens, staan de leerlingen van wie een groot aantal Jezus verlaten, niet ver van onze weerstand tegenover de totale gave die Hij van zichzelf doet. Want deze gave werkelijk aanvaarden, betekent zichzelf verliezen, zich laten aanspreken en transformeren, zodanig dat men van Hem leeft, zoals de apostel Paulus ons in de tweede lezing in herinnering brengt: “Zolang wij leven, leven wij voor de Heer, en sterven wij, dan sterven wij voor de Heer: of wij leven of sterven, hem behoren wij toe” (Rom. 14, 8).
|
||
|
“Deze taal stuit iemand tegen de borst”, omdat wij vrijheid dikwijls verwarren met afwezigheid van banden, met de overtuiging de dingen op z’n eentje te kunnen, zonder God, die beschouwd wordt als een beperking van vrijheid. Het is een illusie die zich vroeg of laat ontpopt tot een ontgoocheling, die onrust en angst veroorzaakt en paradoxaal ertoe leidt dat men de ketens van het verleden mist: “Waren we maar door Jahwe’s hand gestorven in Egypte ...”, zeiden de joden in de woestijn (Ex. 16, 3), zoals we pas hoorden. Werkelijk, het is pas in de openheid voor God, in het aanvaarden van Zijn gave, dat we werkelijk vrij worden, bevrijd van de slavernij van de zonde die het gelaat van de mens misvormt en in staat om dienstbaar te zijn voor het echte welzijn van onze broeders.
|
||
|
“Deze taal stuit iemand tegen de borst”, omdat de mens dikwijls in de illusie leeft “stenen in brood” te kunnen “veranderen”. Na God gemarginaliseerd te hebben, of getolereerd als een privé keuze die geen invloed mag hebben in het openbare leven, hebben bepaalde ideologieën de samenleving willen organiseren op kracht van macht en economie alleen. De geschiedenis toont ons op dramatische wijze dat het doel, aan iedereen ontwikkeling, materieel welzijn en vrede te verzekeren terwijl men aan God en Zijn openbaring voorbijgaat, uiteindelijk betekent: de mensen stenen te geven in plaats van brood. Brood, dierbare broeders en zusters, is “de vrucht van het werk van onze handen” en in die waarheid ligt heel de verantwoordelijkheid besloten die aan onze handen en ons verstand werden toevertrouwd, maar brood is ook en voor alles, de “vrucht van de aarde”, die van boven zon en regen krijgt: het is een gave waarom moet gevraagd worden, die iedere hoogmoed van ons wegneemt en ons met het vertrouwen van de nederigen doet smeken: “Onze Vader (...), geef ons heden ons dagelijks brood” (Mt. 6, 1).
|
||
|
De mens kan zichzelf het leven niet geven, hij begrijpt zichzelf slechts vanuit God: het is de relatie met Hem die vaste vorm geeft aan ons mens-zijn en die ons leven goed en rechtvaardig maakt. In het Onze Vader vragen wij dat Zijn Naam geheiligd worde, dat Zijn Rijk kome, dat Zijn wil gedaan worde. Het is vooreerst het primaat van God dat wij in onze wereld en in ons leven moeten terugvinden, omdat dit primaat ons in staat stelt opnieuw de waarheid te vinden over wat we zijn en door Gods wil te kennen en te volgen, vinden wij ons ware welzijn. Tijd en plaats geven aan God opdat Hij het levende hart van ons bestaan zou zijn. |
||
|
|
||
|
Maar wat houdt de beslissing om vanuit de Eucharistie te vertrekken en zo opnieuw het primaat van God te bevestigen, in voor ons dagelijks leven? De communie van de Eucharistie, dierbare vrienden, ontrukt ons aan ons individualisme, deelt ons de geest mee van de gestorven en verrezen Christus, en doet ons op Hem gelijken; zij verenigt ons innig met onze broeders in dit mysterie van de gemeenschap die de Kerk is, waar het enige Brood de veelheid tot één enkel lichaam maakt 3 , en zo het gebed van de eerste christengemeente verwezenlijkt waarover het boek, de Didachè spreekt: “zoals dit gebroken brood over de heuvels verspreid was en, verzameld, één (enkel geheel) geworden is, moge zo Uw Kerk verzameld zijn van de uiteinden van de aarde in Uw koninkrijk” 4 . De Eucharistie ondersteunt en transformeert heel het dagelijkse leven. Zoals ik in mijn eerste encycliek in herinnering bracht, “eucharistische gemeenschap omvat de werkelijkheid van zowel bemind worden als ook anderen op hun beurt liefhebben”, daarom is “eucharistie die zich niet vertaalt in concrete beoefening van de liefde (...) ten diepste onvolledig” 5 . |
||
|
|
||
|
Dierbare vrienden, laten wij van deze grond van de Marche weggaan met de kracht van de Eucharistie in een blijvende osmose tussen het mysterie dat wij vieren en het kader van ons dagelijks leven. Er is niets authentiek menselijks dat in de Eucharistie zijn aangepaste vorm niet vindt om ten volle beleefd te worden: moge het dagelijks leven ook een plaats worden van spirituele eredienst door in alle omstandigheden het primaat van God te beleven, binnen de verhouding met Christus en als offergave aan de Vader 7 . Ja, “niet van brood alleen leeft de mens, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt” (Mt. 4, 4): we leven in gehoorzaamheid aan dit woord, dat levend brood is, zodat dat wij onszelf geven, zoals Petrus, met de intelligentie van de liefde: “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt” (Joh. 6, 68-69).
|
||
|
Worden wij, zoals de Maagd Maria, ook een “schoot” die beschikbaar is om Jezus aan de mens van onze tijd te geven, door het diepe verlangen te onthullen van het heil dat uitsluitend van Hem komt. Goede reis aan heel de Kerk in Italië, met Christus het Brood des levens!
|
||
| 1 | Vgl. Joh. 6, 32-35 | |
| 2 | Vgl. Joh. 6, 28-29 | |
| 3 | Vgl. 1 Kor. 10, 17 | |
| 4 | Apostolische Vader Didachè Onderwijs van de Twaalf Apostelen ()">Didachè spreekt: “zoals dit gebroken brood over de heuvels verspreid was en, verzameld, één (enkel geheel) geworden is, moge zo Uw Kerk verzameld zijn van de uiteinden van de aarde in Uw koninkrijk” 5 | Paus Benedictus XVI, Encycliek, God is Liefde, Deus Caritas Est (25 dec 2005), 14 |
| 6 | Vgl. Mt. 25, 34-36 | |
| 7 | Vgl. Paus Benedictus XVI, Apostolische Exhortatie, Het Sacrament van de Liefde - Over de Eucharistie, bron en hoogtepunt van het leven en de zending van de Kerk, Sacramentum Caritatis (22 feb 2007), 71 |