Antwoorden op vragen over enige aspecten aangaande de leer over de Kerk
(Soort document: Congregatie voor de Geloofsleer)
William Kardinaal Levada - 29 juni 2007
![]() |
|
Deze site is er voor u,
|
► Design: © Jaimy Dix Reclamebureau
► Techniek: © InterBrug
|
Vanuit documenten: ► Commentaar bij de "Antwoorden op vragen over enige aspecten aangaande de leer over de Kerk" / "Ad Catholicam Profundius" (7)
Vanuit dossiers: ► Oecumene
► Kerk
|
William Kardinaal Levada - 29 juni 2007
|
Het Tweede Vaticaans Concilie heeft met de dogmatische Constitutie Lumen Gentium en met het Decreet over de Oecumene Unitatis Redintegratio en over de Oosterse Kerken Orientalium Ecclesiarum op een beslissende wijze bijgedragen aan een vernieuwing van katholieke ecclesiologie. Ook de Pausen hebben de leer willen verdiepen en aanwijzingen gegeven voor de praktijk: Paulus VI in de encycliek Ecclesiam Suam (1964) en Johannes Paulus II in de encycliek Ut Unum Sint (1995).
De inzet van de theologen, om de hieruit volgende en erop betrekking hebbende verschillende aspecten van de ecclesiologie steeds beter te verklaren, heeft zijn weerslag gevonden in een rijke literatuur. De thematiek bleek namelijk zeer vruchtbaar te zijn. Vaak was het echter ook noodzakelijk enkele punten preciezer te formuleren en in herinnering te roepen, zoals dat gedaan is in de Verklaring Mysterium Ecclesiae (1973), in het schrijven aan de Bisschoppen van de katholieke Kerk Communionis notio en in de verklaring Dominus Jesus (2000) - alle uitgegeven door de Congregatie voor de Geloofsleer.
De omvang van de vraagstelling en de nieuwheid van de vele thema’s nodigen telkens uit tot theologisch nadenken. Onder de vele nieuwe bijdragen in dit veld, zijn er die niet vrij zijn van foutieve interpretaties en die dan weer aanleiding geven tot verwarring en twijfel. Een aantal van deze interpretaties zijn aan de Congregatie voor de Geloofsleer voorgelegd. Zich baserende op de gehele katholieke leer over de Kerk wil de Congregatie daarop antwoord geven, waarbij zij de authentieke bedoeling van de ecclesiologische uitdrukkingen van het leerambt uitlegt, die in de theologische discussie dreigen verkeerd te worden verstaan. |
||
| 1e vraag: Heeft het Tweede Vaticaans Concilie de bestaande leer over de Kerk gewijzigd? | ||
|
Antwoord: Het Tweede Vaticaans Concilie heeft deze leer noch gewijzigd noch heeft de intentie gehad deze te wijzigen. Het wilde veeleer deze verder ontwikkelen, verdiepen en meer uitvoeriger uitleggen.
Juist dat heeft Johannes XXIII aan het begin van het Concilie met grote duidelijkheid gezegd 1 . Paulus VI bekrachtigde dit 2 en gaf als commentaar bij de promulgatie van de Constitutie Lumen Gentium: “Het beste commentaar, dat men op deze uitvaardiging kan geven, is te kunnen zeggen dat zij op geen enkele wijze de traditionele leer verandert. Wat Christus heeft gewild, willen wij ook. Wat was, blijft. Wat de Kerk in de loop der eeuwen heeft geleerd, leren wij ook. Alleen wat vroeger eenvoudig beleefd werd, wordt nu in een duidelijke leer uitgedrukt; wat tot nu toe het onderwerp was van beschouwing, bespreking en deels van controverse, is nu in een veilige leerstellige formulering opgesteld.” 3 De Bisschoppen hebben herhaaldelijk ditzelfde standpunt bevestigd en tot uitvoering gebracht. 4 5 |
||
| 2e vraag: Wat is de betekenis van de bevestiging dat de Kerk van Christus subsisteert in de Katholieke Kerk? | ||
|
Antwoord: Christus heeft één enige Kerk “hier op aarde ... gevestigd” en als “zichtbaar en spirituele gemeenschap” 6 , die sinds haar begin en door de geschiedenis heen steeds aanwezig is en ook steeds aanwezig zal zijn en waarin alleen alle van Christus voortgekomen elementen nu en in de toekomst behouden blijven. 7 . “Dit is de enige Kerk van Christus, waarvan wij in het Symbolum belijden, dat zij één, heilig, katholiek en apostolisch is... . Deze Kerk, in deze wereld gesticht en gestructureerd als een maatschappij, wordt gevonden in de katholieke Kerk, bestuurd door de opvolger van Petrus en door de bisschoppen, die met hem in vereniging leven.” 8 .
In nummer 8 van de dogmatische Constitutie Lumen Gentium betekent “subsistit” iedere blijvende historische continuïteit en voortduring van de van Christus voortgekomen elementen 9 10 11 , waarin de Kerk van Christus concreet in deze wereld te vinden is. Volgens de katholieke leer kan men terecht zeggen dat in de kerken en kerkelijke gemeenschappen, die niet in de volle gemeenschap met de katholieke Kerk staan, krachtens de bij hun voorhanden zijnde elementen van heiliging en waarheid de Kerk van Christus tegenwoordig stellen en werkzaam zijn. Het woord “subsisteert” wordt daarentegen alleen de katholieke Kerk toegeschreven, want het heeft betrekking op het merkteken van de eenheid, dat wij in de geloofsbelijdenissen belijden (Ik geloof ... in de “ene” Kerk); en deze “ene” Kerk subsisteert in de katholieke Kerk 12 . |
||
| 3e vraag: Waarom wordt de uitdrukking “subsistit in” en niet eenvoudig het woord “is” gebruikt? | ||
|
Antwoord: Het gebruik van de uitdrukking, die de volledige identiteit van de Kerk van Christus met de katholieke Kerk weergeeft, wijzigt niet de leer over de Kerk. Integendeel, het komt voort en spreekt veel duidelijker uit het feit dat er “meerdere elementen van heiliging en waarheid” buiten haar structuren gevonden worden “die, als eigen gaven van Christus' Kerk, een uitnodiging zijn tot de katholieke eenheid”. 13
“Daarom zijn ook de afgescheiden Kerken en gemeenschappen, ofschoon zij volgens onze overtuiging bepaalde tekorten vertonen, geenszins zonder betekenis en waarde in het heilsmysterie. Want de Geest van Christus weigert niet, zich van haar te bedienen als heilsmiddelen, die hun kracht ontlenen aan de volheid zelf van genade en waarheid, aan de katholieke Kerk toevertrouwd.” 14 . |
||
| 4e vraag: Waarom gebruikt het Tweede Vaticaans Concilie de term “Kerk” met betrekking tot de oosterse Kerken die gescheiden zijn van de volledige eenheid met de katholieke Kerk? | ||
|
Antwoord: Het Concilie wilde het traditionele gebruik van deze term overnemen. “Omdat nu deze Kerken, ondanks de scheiding, echte sacramenten bezitten, vooral, krachtens de apostolische successie, het priesterschap en de Eucharistie, waardoor zij zeer nauw met ons verbonden blijven,” 15 16 verdienen zij de titel “particuliere of lokale Kerken” 17 18 en worden zusterkerken van de plaatselijke katholieke Kerk genoemd. 19
“Daarom wordt door de viering van de Eucharistie van de Heer in deze afzonderlijke Kerken de Kerk van God opgebouwd en tot groei gebracht”. 20 Omdat de gemeenschap met de katholieke Kerk, waarvan het zichtbare hoofd de bisschop van Rome en opvolgers van Petrus is, niet alleen maar een uiterlijke toevoeging aan een particuliere kerk is, maar juist één van de interne opbouwende principes, lijden deze gewaardeerde christelijke gemeenschappen aan een tekortkoming. 21 Anderzijds is door de scheiding van de christenen de katholieke universaliteit – die de Kerk eigen is, die door de opvolger van Petrus en de bisschoppen in gemeenschap met hem geleid wordt – in haar volledige realisering in de geschiedenis belemmerd. 22 |
||
| 5e vraag: Waarom wordt in de teksten van het Concilie en die van het Magisterium ná het Concilie de titel “Kerk” niet gebruikt voor die christelijke gemeenschappen die voort zijn gekomen uit de Reformatie van de zestiende eeuw? | ||
|
Antwoord: Volgens de katholieke leer hebben deze gemeenschappen niet de apostolische successie via het Sacrament van de Wijding en daarom ontbreekt een bepalend element van de Kerk. Deze kerkelijke gemeenschappen die, vooral vanwege het ontbreken van het wijdingssacrament, niet het echte en volledige wezen van het mysterie van de Eucharistie hebben bewaard 23 , kunnen volgens de katholieke leer geen “Kerken” in de eigenlijke zin genoemd worden. 24
|
||
|
||