(Soort document: Catechismus-Compendium)
15 augustus 1997
![]() |
|
► Design: © Jaimy Dix Reclamebureau
► Techniek: © InterBrug
|
Vanuit documenten: ► ...
Vanuit dossiers: ► ...
|
15 augustus 1997
|
Christus wilde geboren worden en opgroeien in het heilig huisgezin van Jozef en Maria. De kerk is niets anders dan "het huisgezin van God". Vanaf het begin bestond de kern van de kerk vaak uit hen die "met heel hun huis" het geloof aangenomen hadden. 1 Wanneer zij zich bekeerden, verlangden zij ook dat "heel hun huis" gered zou worden. 2 Tot het geloof gekomen, waren deze gezinnen eilandjes van christelijk leven in een wereld van ongeloof.
|
||
|
Heden ten dage zijn gelovige gezinnen, als haarden van levend en stralend geloof in een wereld die vaak vreemd of zelfs vijandig staat tegenover het geloof, van het allerhoogste belang. Daarom noemt het Tweede Vaticaans Concilie het gezin volgens een oude uitdrukking ecclesia domestica. 3 4 In het gezin zijn "de ouders door woord en voorbeeld voor hun kinderen de eerste geloofsverkondigers en zij dienen de eigen roeping van elk onder hen, heel bijzonder wanneer het om een gewijde roeping gaat, met zorg te bevorderen". 5
|
||
|
Dit is de bevoorrechte plaats waar het in de doop verleende priesterschap van de huisvader, de moeder, de kinderen en van alle leden van het gezin, uitgeoefend kan worden "in het ontvangen van de sacramenten, in het gebed en de dankzegging, in het getuigenis van een heilig leven, in de onthechting en de daadwerkelijke liefde." 6 De huiselijke haard is bijgevolg de eerste school voor het christelijk leven en "een school voor een rijkere menselijkheid". 7 Hier leert men de volharding en de vreugde in het werk, de broederliefde, de edelmoedige, zelfs herhaalde vergeving en vooral de goddelijke eredienst door het gebed en de opoffering van zijn leven.
|
||
|
We moeten nog melding maken van sommige personen die wegens feitelijke - vaak ongewilde - levensomstandigheden Jezus bijzonder na aan het hart liggen en daarom de genegenheid en de toegewijde aandacht van de Kerk en vooral van de zielzorgers verdienen: het grote aantal ongehuwden. Velen onder hen hebben geen menselijk huisgezin, vaak vanwege armoede. Sommigen beleven hun situatie in de geest van de zaligsprekingen en dienen God en hun naaste op voorbeeldige wijze. Voor hen allen moeten de deuren van de gezinnen, de "huiskerken", geopend worden, evenals de deuren van het grote gezin dat de Kerk is. "Niemand is zonder gezin in deze wereld: de Kerk is tehuis en gezin voor allen, vooral voor hen die 'vermoeid en belast' (Mt. 11, 28) zijn". 8
|
||