(Soort document: Catechismus-Compendium)
15 augustus 1997
![]() |
|
► Design: © Jaimy Dix Reclamebureau
► Techniek: © InterBrug
|
Vanuit documenten: ► ...
Vanuit dossiers: ► ...
|
15 augustus 1997
|
"Nadat de Heer Jezus aldus tot hen gesproken had, werd Hij ten hemel opgenomen en zit aan de rechterhand van God" (Mc. 16, 19). Het lichaam van Christus is verheerlijkt vanaf het ogenblik van zijn verrijzenis, zoals de nieuwe, bovennatuurlijke eigenschappen bewijzen die zijn lichaam voortaan blijvend bezit. 1 Maar gedurende de veertig dagen waarop Hij met zijn leerlingen vertrouwelijk zal eten en drinken 2 en hen zal onderrichten over het koninkrijk, 3 blijft zijn heerlijkheid nog verborgen onder het uiterlijk van een gewone, menselijke natuur. 4 De laatste verschijning van Jezus eindigt met het onomkeerbare binnengaan van zijn menselijke natuur in de goddelijke heerlijkheid, gesymboliseerd door de wolk 5 6 en door de hemel, 7 waar Hij voortaan aan de rechterhand van de Vader is gezeten, 8 9 Het is slechts op een geheel uitzonderlijke en unieke manier dat Hij zich aan Paulus "als aan de misgeboorte" (1 Kor. 15, 8) zal vertonen in een laatste verschijning, die Paulus tot apostel maakt. 10
|
||
|
Het verborgen karakter van de heerlijkheid van de Verrezene gedurende deze tijd schemert door in zijn mysterieuze woorden tot Maria Magdalena: "Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader, maar ga naar mijn broeders en zeg hun: "Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God" (Joh. 20, 17). Dit duidt op een verschil in verschijningsvorm tussen de heerlijkheid van Christus die verrezen is, en die van Christus die omhooggeheven is en zit aan de rechterhand van de Vader. De zowel historische als transcendente gebeurtenis van de Hemelvaart geeft de overgang van de ene verschijningsvorm naar de andere aan.
|
||
|
Deze laatste fase blijft nauw verbonden met de eerste, d.w.z. de nederdaling uit de hemel, verwezenlijkt in de menswording: alleen Hij die "van de Vader is uitgegaan" kan "naar de Vader gaan.": Christus. 11 Nooit is er iemand naar de hemel opgeklommen, tenzij Hij die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des Mensen" (Joh. 3, 13). 12 De menselijke natuur heeft, aan haar eigen natuurlijke krachten overgelaten, geen toegang tot het "huis van de Vader" 13 , tot het leven en het geluk van God. Alleen Christus heeft de mens deze toegang kunnen verschaffen: "Hij is niet van onze zijde geweken, zwakke mensen heeft Hij hoop gegeven: Hij is ons hoofd, wij vormen zijn lichaam. Waarheen Hij ons is voorgegaan, zullen wij eenmaal volgen". 14
|
||
|
"Wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal Ik allen tot Mij trekken" (Joh. 12, 32). De verheffing op het kruis is het beeld en de aankondiging van de verheffing ten hemel met Hemelvaart. Ze is het begin ervan. Jezus Christus, de enige priester van het nieuwe, altijddurende Verbond, is niet "een heiligdom, door mensenhanden gemaakt, binnengegaan (...), maar de hemel zelf om er nu, voor onze zaak, bij God present te zijn" (Heb. 9, 24). In de hemel oefent Christus voortdurend zijn priesterschap uit, "daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten die door zijn tussenkomst God naderen" (Heb. 7, 25). Als "hogepriester van het komende heil" (Heb. 9, 11) is Hij het middelpunt en de hoofdpersoon van de liturgie, die de Vader in de hemel eert. 15
|
||
|
Christus is voortaan "gezeten aan de rechterhand van de Vader": "Met 'rechterhand van de Vader' bedoelen wij de heerlijkheid en de eer van de goddelijkheid, waarin de Zoon van God, voor alle eeuwen als God bestaande en gelijk in wezen aan de Vader, na uiteindelijk het vlees aangenomen te hebben, ook lichamelijk gezeten is, nadat tevens zijn lichaam verheerlijkt is". 16
|
||
|
Het zitten aan de rechterhand van de Vader betekent het begin van het rijk van de Messias, de vervulling van het visioen van de profeet Daniël met betrekking tot de Mensenzoon: "Toen werd Hem heerschappij gegeven, luister en koninklijke macht; alle volken, stammen en talen brachten Hem hun hulde. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij die nooit vergaat, zijn koninkrijk gaat nooit te gronde" (Dan. 7, 14). Vanaf dit ogenblik zijn de apostelen getuigen geworden van het "rijk waaraan geen einde komt". 17
|
||
| ► | IN HET KORT |
| 1 | Vgl. Lc. 24, 31; Joh. 20, 19.26 |
| 2 | Vgl. Hand. 10, 41 |
| 3 | Vgl. Hand. 1, 3 |
| 4 | Vgl. Mc. 16, 12; Lc. 24, 15; Joh. 20, 14-15; Joh. 21, 4 |
| 5 | Vgl. Hand. 1, 9 |
| 6 | Vgl. Lc. 9, 34-35; Ex. 13, 21-22. ook |
| 7 | Vgl. Lc. 24, 51 |
| 8 | Vgl. Mc. 16, 19; Hand. 2, 34; Hand. 7, 56 |
| 9 | Vgl. Ps. 110, 1. ook |
| 10 | Vgl. 1 Kor. 9, 1; Gal. 1, 16 |
| 11 | Vgl. Joh. 16, 28 |
| 12 | Vgl. Ef. 4, 8-10 |
| 13 | Vgl. Joh. 14, 2 |
| 14 | MR, Prefatie van Hemelvaart. in; Altaarmissaal (NL) 643; Missaal voor Zon- en Feestdagen (B), 244 |
| 15 | Vgl. Openb. 4, 6-11 |
| 16 | H. Johannes Damascenus, Over het rechte of orthodoxe geloof, De fide orthodoxa. 4,2 vert. uit Gr. |
| 17 | 1e Concilie van Constantinopel, Credo van Nicea - Constantinopel (31 juli 381) |