Over het priesterschap (postuum gepubliceerd) - Bij de 50e verjaardag van de stichting van het regionale seminarie van Apulië


OVER HET PRIESTERSCHAP (POSTUUM GEPUBLICEERD)
PARAGRAAF 2 - Zich voorbereiden op het Priesterschap betekent zich vormen tot geschikte instrumenten in de handen van God

 
 


PARAGRAAF 2
-
Zich voorbereiden op het Priesterschap betekent zich vormen tot geschikte instrumenten in de handen van God

De welwillendheid van God kent geen grenzen als het gaat om hen, die Hij uitkiest als instrumenten bij de uitvoering van zijn heilsbesluiten! Bewaarder en uitdeler van de heilsmiddelen, kan de priester er niet over beschikken naar eigen goeddunken, omdat hij er de "bedienaar" van is, maar toch behoudt hij de autonomie van zijn persoon, de vrijheid en verantwoordelijkheid van zijn handelingen. Hij is bijgevolg een bewust instrument van Christus, die, als een geniaal beeldhouwer, hem gebruikt als beitel om in de zielen het beeld van God te houwen. Wee als het instrument de hand van de goddelijke kunstenaar niet zou willen volgen; wee als het, naar eigen goedvinden, het ontwerp zou vervormen! Het werk zou blijken erg middelmatig te zijn, als het instrument, door zijn eigen schuld, ongeschikt zou zijn! Het doel van de seminaries is juist het volgende: de jonge seminaristen te leiden, opdat zij volmaakte, doeltreffende en volgzame instrumenten worden van Christus.

Voor alles “volmaakte”, dat wil zeggen toegerust met de eigenschappen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het gewijde ambt. Ongetwijfeld kent gij deze eigenschappen; maar Wij zouden graag willen dat gij zoudt inzien, dat de volmaaktheid van de priester niet een op zichzelf staand gegeven is; zij volgt de natuurlijke en menselijke volmaaktheid van de persoon als mens en is erop gebaseerd. Men wordt niet een volmaakt priester als men niet, in zekere zin, een volmaakte mens is. Het is deze opvatting die het fundament schijnt te zijn van de gewijde canons, die van hem die moet gewijd worden eisen, dat hij vrij is van gebreken en tekortkomingen  1 Vgl. Canoniek recht, Codex Iuris Canonici (1917) (1 jan 1917), 984.987. Deze eis wordt om zo te zeggen gedeeld door het gelovige volk, dat in zijn herder bij voorkeur een man wenst te zien die zich ook door natuurlijke gaven en deugden van anderen onderscheidt, een persoon voortreffelijk door zijn intellectuele en morele gaven; beschaafd, intelligent, evenwichtig in zijn oordeel, zeker en rustig in zijn handelen, onpartijdig en ordelijk, edelmoedig en gemakkelijk bereid te vergeven, vriend van eensgezindheid en vijand van ledigheid, in één woord de “perfectus homo Dei” (2 Tim. 3, 17). Voor de priester zijn de zogenaamde natuurlijke deugden eveneens eisen van net apostolaat, omdat hij zonder hen gemakkelijk zou kunnen beledigen of afstoten. Op deze reeds verkregen volmaaktheid moet dan de volmaaktheid van de priesterlijke staat gebouwd worden, dat wil zeggen de heiligheid. In Onze reeds aangehaalde Exhortatio hebben Wij uitvoerig de gelijkwaardigheid van Priesterschap en Heiligheid uiteengezet en duidelijk gemaakt dat zij een en dezelfde betekenis hebben. Dat is de eerste factor die van de priester een volmaakt instrument van Christus maakt, omdat net instrument des te volmaakter en doeltreffender is naarmate net nauwer verbonden is met de voornaamste oorzaak, die Christus is.

Zijn doeltreffendheid wordt, bovendien, bevestigd door zijn kennis, vooral zijn theologische kennis. Maar Wij hebben Ons echter verscheidene malen bij andere gelegenheden en in officiële documenten met de wetenschappelijke vorming van de priesters beziggehouden  2 Zie Paus Pius XII, Discorsi e Radiomessaggi, vol. 1, pag. 211—228  3 Paus Pius XII, Encycliek, Over sommige valse meningen die de grondslagen van de Katholieke leer dreigen te ondermijnen, Humani Generis (12 aug 1950).

Wees er diep van overtuigd dat het onmogelijk is een doeltreffend instrument te zijn voor de Kerk, tenzij men een beschaving en ontwikkeling heeft die aangepast is aan de huidige tijd. In talrijke gevallen zal noch de vurigheid van zijn eigen overtuiging noch zijn liefdevolle ijver voldoende zijn om de zielen te veroveren. De mensen hebben gelijk, wanneer zij vragen om "heilige en geleerde" priesters. Dat de studie dan uw ascese zij, te meer omdat zij God als voorwerp heeft! Maar al hangen de volmaaktheid en de doeltreffendheid van het instrument af van God, de volgzaamheid hangt af van de menselijke wil. Een weerspannig instrument, onwillig in de handen van de kunstenaar, is nutteloos en gevaarlijk. Het wordt eerder een instrument van ondergang. God kan echter alles tot stand brengen met een goed gedisponeerd instrument, ook al is het onvolmaakt. Met een onwillig instrument daarentegen kan hij niets doen. Volgzaamheid betekent gehoorzaamheid, meer nog, "beschikbaarheid in de handen van God" voor welk werk, voor welke nood, voor welke verandering ook. Deze volledige beschikbaarheid wordt verkregen door zich los te maken van zijn persoonlijke inzichten, zijn eigen belangen en zelfs van de meest verheven ondernemingen. Deze onthechting is gebaseerd op die ootmoedige waarheid welke de Heer ons leerde: ,”Als gij alles zult hebben gedaan wat u is opgedragen, zeg dan: Wij zijn nutteloze dienaren!” (Lc. 17, 10). Zoals Wij reeds hebben opgemerkt, houdt dit geenszins in dat wij onverschillig moeten staan tegenover het ons opgedragen werk, noch dat wij geen rechtmatige voldoening mogen hebben bij het zien van de verkregen resultaten. De tucht die men u op het seminarie met een alleszins vaderlijke genegenheid oplegt, heeft geen enkel ander doel dan u op te voeden tot deze volmaakte volgzaamheid tegenover Christus en de Kerk.



© 1958, Katholiek Archief 13e jrg., p. 1189-1198

 
 

Documenten van de R.-K. Kerk
OVER HET PRIESTERSCHAP (POSTUUM GEPUBLICEERD)
PARAGRAAF 2 - Zich voorbereiden op het Priesterschap betekent zich vormen tot geschikte instrumenten in de handen van God
13
De welwillendheid van God kent geen grenzen als het gaat om hen, die Hij uitkiest als instrumenten bij de uitvoering van zijn heilsbesluiten! Bewaarder en uitdeler van de heilsmiddelen, kan de priester er niet over beschikken naar eigen goeddunken, omdat hij er de "bedienaar" van is, maar toch behoudt hij de autonomie van zijn persoon, de vrijheid en verantwoordelijkheid van zijn handelingen. Hij is bijgevolg een bewust instrument van Christus, die, als een geniaal beeldhouwer, hem gebruikt als beitel om in de zielen het beeld van God te houwen. Wee als het instrument de hand van de goddelijke kunstenaar niet zou willen volgen; wee als het, naar eigen goedvinden, het ontwerp zou vervormen! Het werk zou blijken erg middelmatig te zijn, als het instrument, door zijn eigen schuld, ongeschikt zou zijn! Het doel van de seminaries is juist het volgende: de jonge seminaristen te leiden, opdat zij volmaakte, doeltreffende en volgzame instrumenten worden van Christus.
14
Voor alles “volmaakte”, dat wil zeggen toegerust met de eigenschappen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het gewijde ambt. Ongetwijfeld kent gij deze eigenschappen; maar Wij zouden graag willen dat gij zoudt inzien, dat de volmaaktheid van de priester niet een op zichzelf staand gegeven is; zij volgt de natuurlijke en menselijke volmaaktheid van de persoon als mens en is erop gebaseerd. Men wordt niet een volmaakt priester als men niet, in zekere zin, een volmaakte mens is. Het is deze opvatting die het fundament schijnt te zijn van de gewijde canons, die van hem die moet gewijd worden eisen, dat hij vrij is van gebreken en tekortkomingen  1 . Deze eis wordt om zo te zeggen gedeeld door het gelovige volk, dat in zijn herder bij voorkeur een man wenst te zien die zich ook door natuurlijke gaven en deugden van anderen onderscheidt, een persoon voortreffelijk door zijn intellectuele en morele gaven; beschaafd, intelligent, evenwichtig in zijn oordeel, zeker en rustig in zijn handelen, onpartijdig en ordelijk, edelmoedig en gemakkelijk bereid te vergeven, vriend van eensgezindheid en vijand van ledigheid, in één woord de “perfectus homo Dei” (2 Tim. 3, 17). Voor de priester zijn de zogenaamde natuurlijke deugden eveneens eisen van net apostolaat, omdat hij zonder hen gemakkelijk zou kunnen beledigen of afstoten. Op deze reeds verkregen volmaaktheid moet dan de volmaaktheid van de priesterlijke staat gebouwd worden, dat wil zeggen de heiligheid. In Onze reeds aangehaalde Exhortatio hebben Wij uitvoerig de gelijkwaardigheid van Priesterschap en Heiligheid uiteengezet en duidelijk gemaakt dat zij een en dezelfde betekenis hebben. Dat is de eerste factor die van de priester een volmaakt instrument van Christus maakt, omdat net instrument des te volmaakter en doeltreffender is naarmate net nauwer verbonden is met de voornaamste oorzaak, die Christus is.
15
Zijn doeltreffendheid wordt, bovendien, bevestigd door zijn kennis, vooral zijn theologische kennis. Maar Wij hebben Ons echter verscheidene malen bij andere gelegenheden en in officiële documenten met de wetenschappelijke vorming van de priesters beziggehouden  2   3 .
16
Wees er diep van overtuigd dat het onmogelijk is een doeltreffend instrument te zijn voor de Kerk, tenzij men een beschaving en ontwikkeling heeft die aangepast is aan de huidige tijd. In talrijke gevallen zal noch de vurigheid van zijn eigen overtuiging noch zijn liefdevolle ijver voldoende zijn om de zielen te veroveren. De mensen hebben gelijk, wanneer zij vragen om "heilige en geleerde" priesters. Dat de studie dan uw ascese zij, te meer omdat zij God als voorwerp heeft! Maar al hangen de volmaaktheid en de doeltreffendheid van het instrument af van God, de volgzaamheid hangt af van de menselijke wil. Een weerspannig instrument, onwillig in de handen van de kunstenaar, is nutteloos en gevaarlijk. Het wordt eerder een instrument van ondergang. God kan echter alles tot stand brengen met een goed gedisponeerd instrument, ook al is het onvolmaakt. Met een onwillig instrument daarentegen kan hij niets doen. Volgzaamheid betekent gehoorzaamheid, meer nog, "beschikbaarheid in de handen van God" voor welk werk, voor welke nood, voor welke verandering ook. Deze volledige beschikbaarheid wordt verkregen door zich los te maken van zijn persoonlijke inzichten, zijn eigen belangen en zelfs van de meest verheven ondernemingen. Deze onthechting is gebaseerd op die ootmoedige waarheid welke de Heer ons leerde: ,”Als gij alles zult hebben gedaan wat u is opgedragen, zeg dan: Wij zijn nutteloze dienaren!” (Lc. 17, 10). Zoals Wij reeds hebben opgemerkt, houdt dit geenszins in dat wij onverschillig moeten staan tegenover het ons opgedragen werk, noch dat wij geen rechtmatige voldoening mogen hebben bij het zien van de verkregen resultaten. De tucht die men u op het seminarie met een alleszins vaderlijke genegenheid oplegt, heeft geen enkel ander doel dan u op te voeden tot deze volmaakte volgzaamheid tegenover Christus en de Kerk.


1.  Vgl. Canoniek recht, Codex Iuris Canonici (1917) (1 jan 1917), 984.987
2.  Zie Paus Pius XII, Discorsi e Radiomessaggi, vol. 1, pag. 211—228
3.  Paus Pius XII, Encycliek, Over sommige valse meningen die de grondslagen van de Katholieke leer dreigen te ondermijnen, Humani Generis (12 aug 1950)

© 1958, Katholiek Archief 13e jrg., p. 1189-1198